overpeinzing 03
Van de herontdekte techniek van het stenenbakken tot driehoeksmeting. Is het gewoon “Gods weken groot en klein” of is het toch gewoon “Wonder ende is gheen wonder”.’
Via het Duits Lijntje en de Peel-Raamstelling lopen we tot bijna Grave. Dit is de meest oostelijke vestingstad van de zuiderwaterlinie. Veel hiervan werd gebouwd tijdens de tachtig jarige oorlog tegen de Spanjaarden. De linie is een machtig staaltje techniek en bouwkunde, vooral ter verdediging van het land. Dit was mogelijk omdat de wetenschap zich snel begon te ontwikkelen. De Romeinen bouwden al villa’s enaquaducten e.d. met gebakken stenen en cement. Ze deden dit al met goede meetapparatuur, dat na hun tijdperk niet door andere volken werd overgenomen. Monniken, met oude kennis uit het zuiden, brachten deze kennis via Engeland en Ierland weer terug in de Nederlanden. Stenen bakken zodat met cement kloosters en kerken gebouwd kunnen worden. Langzaam aan kon men grotere werken bouwen, de St.Jan in ’s-Hertogenbosch werd nog voorzichtig over de bestaande kerk gebouwd, later durfde men steeds meer.
Omstreeks 1500-1600 ging het snel met de wetenschap. De fries Reinier Gemma Frisius ontwikkelde de driehoeksmeting en het lengtegraad uurwerk, tijd en afstand kon nu nog specifieker gemeten worden. Zijn leerling Gerardus Mercator kon nu veel betere kaarten en atlassen maken, zodat het veel gemakkelijker werd om bijvoorbeeld gebruik te maken van de omgeving voor het versterken van een vestigingslinie. Simon Stevin verbeterde en breidde veel van de bekende wetenschap uit en startte in 1600 in Leiden de eerste Nederlandstalige opleiding voor vestigingsbouwkundigen. Eigenlijk de eerste ingenieurs opleiding en dit alles onder het motto: “Wonder ende is gheen wonder”, er zijn dus geen bovennatuurlijke krachten meer nodig om verschijnselen in de wereld te verklaren.
Voor gelovigen werd het steeds moeilijker om met de wetenschap om te gaan. De uit Deurne afkomstige predikant J.F. Martinet heeft hiervoor de oplossing. In zijn werk Catechismus der Natuur [1777] verklaart hij ‘Gods werken groot en klein’. In de natuur is te zien hoe de grootsheid en slimheid van God werkt. Ook de mens is, door God geschapen, daar een onderdeel van, wat de mens doet moet dus wel goed zijn. Toeval bestaat niet en een zuiver wetenschappelijke verklaring net zo min. Over zit de hand van God achter. Op deze manier verbind hij geloof en wetenschap tijdens de Verlichting, zodat een gelovige religieuze gedachten kan koppelen met de nieuwewetenschap. Met de nieuwe wetenschap kan de natuur nog verder aangepast worden aan de wensen van de bewoners, het land wordt, letterlijk, nog verder voor de mens geschapen [landschap].