overpeinzing 05
Stichtingen die in ongeveer 80 jaar een proces van miljoenen jaren beëindigen. Een Nobelprijswinnaar die op zijn schreden terug komt, maar niet meer gehoord wordt.
Vanaf de Beerssche Overlaat gaan we weer terug naar de Peel-Raamstelling. Deze verdedigingslinie moest gebouwd worden omdat de Peel ontgonnen was. Een duizend jaar geleden werd met de Peel grofweg het gebied bedoeld dat van Grave tot Roermond liep. In de ‘breedte’ liep het zelfs tot St. Oedenrode, toen de bestuurlijke hoofdplaats van een kwartier van de “Meierij van den Bosch”. Midden door die oude Peel loopt de Peelrandbreuk, zoals die bijvoorbeeld in Uden goed zichtbaar is. Het oostelijke deel van de breuk heet de Peelhorst, dit gedeelte wordt omhoog geduwd. Het meer westelijke deel heet een slenk.
Doordat het water van de horst niet door de peelbreuk kan, kwelt het water omhoog. Dit leidt tot hoger gelegen natte gronden, wijsten, dit in tegenstelling tot de ooit enkele meters verder gelegen lagere gronden, die in verhouding veel droger zijn. Deze natte gronden waren de basis voor het in miljoenen jaren ontstaan van hoogveen. Het kwelwater was ijzerhoudend, wat o.a. in de moerassen voor een bijzondere plantengroei zorgde. Het hoogveen kreeg steeds meer de werking van een spons, dat het water vast hield. Zodoende bleef het gebied eeuwenlang bijna ondoordringbaar.
De drogere gronden van de slenk gaven meer kans op ontwikkeling. Kleine nederzettingen groeiden uit tot steden en graafschappen. De Peel werd steeds meer de naam voor het gebied van moerassen en heidevelden dat bijna niet toegankelijk voor onbekenden was. De gemeenten aan de buitenkant van die Peel hadden delen van die heidevelden in gezamenlijk gebruik.Bijvoorbeeld voor de begrazing van schapen en het plaggen van de heide. De afgeplagde heide werd met de wintermest van de schapen uit de potstal gebruikt voor bemesting. Door deze mest op droge velden te gebruiken, kregen deze velden veel meer humus en kwamen steeds hoger te liggen. Dit werden de z.g. “bolle akkers”. Of voor het houden van bijenvolken en verzamelen van veldvruchten.
Ook het steken van turf werd steeds belangrijker. In 1740 begonnen de broeders van huize Padua in Boekel op grotere schaal met de z.g. ‘vervening’. In de 19e eeuw kwamen de eerste ‘stichtingen’. Eerst vooral voor het winnen van turf voor de verwarming in de steden en voor het bakken van stenen. In ongeveer 80 jaar [1850-1930] is een miljoenen jaren ecologisch proces afgebroken. Later werd ook het ontginnen van de woeste gronden tot landbouwgrond steeds belangrijker.
Dankzij het omstreeks 1850 ontdekte kunstmest kon men de waardeloze afgegraven gronden geschikt maken voor de landbouw. Men hoopte hongersnoden te voorkomen. De ontdekker Justus von Liebig kwam echter vlug terug van zijn ontdekking en concludeerde dat met kunstmest de landbouwcultuur zijn eigen kapitaal verkwistte. In 1861 publiceerde hij zijn latere bevindingen in “De zoektocht naar de kringlooplandbouw”. Het mocht niet baten, economische kortetermijnbelangen van kunstmestproducenten en agrarische bedrijven wogen zwaarder. In 1871 werd voor de aanvoer van kunstmest en de afvoer van landbouwproducten de grindweg Uden-Mill-Oeffelt aangelegd.