naar hoofdinhoud

overpeinzing 12

Oost-Brabant

Tegenwoordig is in geheel Nederland het beheer van water, dijken en dergelijke in handen van waterschappen. Tot ongeveer 1850 had Brabant nog geen waterschappen. Alleen langs de Maas waren enkele waterschappen. In 1848 werd de grondwet veranderd, de waterbeheer taken gingen weg bij de gemeenten.

In deze streek zijn veel betrekkelijk snel stromende beekjes die vanaf België in noordelijke richting stromen. De Keersop is zo’n beek, wanneer deze in de Dommel stroomt is dit op ongeveer 20 m NAP-hoogte. Bij de Belgische grens is de hoogte ongeveer 38 m NAP, dit is goed voor een verval van ongeveer een meter per kilometer. Op de ‘hoogte’ ontspringen o.a. de Run, de Keersop en de Dommel.

Toen omstreeks 1850 het kanaal Bocholt-Herentals  [Maas-Schelde verbinding]  in België was gegraven,  bood dit nieuwe mogelijkheden voor de Brabantse boeren. Via de Zuid Willemsvaart werd kalkrijk water vanaf de Maas aangevoerd door het kanaal. Dit maakte het aanleggen van vloeiweiden in België en Brabant interessant. De Liskens [lussen] bij Maaij onder Bergeijk was zo’n vloeiweide. De familie Keunis heeft omstreeks 1850 opdracht gegeven voor het graven van de Keunisloop [Keunensloop], het water wordt vanaf de vloeiweides via de Beekloop afgevoerd.

Ook het Groot- en Kleinmeer bij Vessem maakt hiervan gebruik. Het kalkrijke water wordt 1952 via het pompstation ingelaten en voorkomt op deze manier verzuring van het ven. Het ven is, net zoals veel vennen in de voormalige heidegebieden, ontstaan door verstuivingen van het zand op slecht doorlatende leemlagen waar het water moeilijk door kan zakken.

Ook de Kleine Beerze werd voor bevloeiing van vloeiweiden gebruikt. Toen Leopoldus de la Court in 1848 landgoed de Baest erft, introduceerde hij daar onder andere nieuwe vloeiweiden.

Tegenwoordig is in geheel Nederland het beheer van water, dijken e.d. in handen van waterschappen. Tot ongeveer 1850 had Brabant nog geen waterschappen. Alleen langs de Maas waren enkele waterschappen. In 1848 werd de grondwet veranderd, de waterbeheer taken gingen weg bij de gemeenten. Meestal werd met kleine waterschappen begonnen, soms zelfs op particulier initiatief. Voorbeelden zijn “De Kleine Wetering”  en “De Polder onder Berlicum en Rosmalen”. Het werd steeds duidelijker dat een bovenlokale aanpak veel beter werkte. Daarom ging een waterschap een geheel stroomgebied bestrijken. In 1926 ontstond zo het waterschap “Stroomgebied van de Aa”.

Tegenwoordig zijn in Brabant nog 3 waterschappen: De Brabantse Delta, de Dommel en de Aa en Maas.  Waren vroeger vooral de boeren bepalend in de waterschappen, tegenwoordig kunnen ook ‘burgers’ deelnemen aan de waterschapsverkiezingen. Dit is ook nodig omdat het waterbeleid is veranderd sinds de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater [WVO] van 1970. Hierdoor kregen de waterschappen een grote rol in het reinigen en opvangen van rioolwater.  Zoetjes aan werden/worden de oude gemengde riolen vervangen door systemen van schoon en vuil water. Schoon water wil men tegenwoordig ook zo min mogelijk afvoeren,maar laten infiltreren via bijvoorbeeld Wadi’s.

 

 

 

Terug
© 2026 Brevieren door Brabant | website: DD