naar hoofdinhoud

overpeinzing 13

Oost-Brabant

“In het kort samengevat is het: algemeene achteruitgang, voortwoekerende verarming, allersoberste levenswijze der groote massa, ontvolking van het platteland. Een goede typeering treffen wij in een request 17 februari 1899 door den N.C.B. tot H.M. de Koningin gericht luidende:”

“Geeft met den diepsten eerbied te kennen het Dagelijksch Bestuur van den Noordbrabantschen Christelijken Boerenbond, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 21 April 1897, dat het zich veroorlooft te wijzen op het verval van den boerenstand, opdat het aan H.M. hooge Regeering behage, ten spoedigste maatregelen te nemen, om den algeheelen ondergang te verhoeden. De tijd, dat de zoogenaamde heerboeren het landbouwbedrijf uitoefenden, is voorbij. Het grootste deel van hunne buitenverblijven is voor een kleinen prijs te koop en de eigenaren zijn deels naar het buitenland vertrokken, om de vermogensbelasting en den hoofdelijken omslag te ontgaan deels naar de steden verhuisd.

Goede landerijen zijn vijftig procent in prijs gedaald en de minder goede, voor graanteelt geschikte, zijn voor een spotprijs te koop, worden met bosschen beplant of aan de wildernis prijs gegeven, en de bevolking vervalt tot armoede, sterft uit of verhuist naar de steden of naar het buitenland. Veel bouwland is in de laatste jaren in weiland herschapen, waarvan het gevolg is overproductie van vee en zuivel. Op welke wijze deze in het buitenland geweerd of belemmerd worden is genoegzaam bekend. Het wantrouwen in het landbouwbedrijf is groot en de hypothecaire schulden zijn tot eene schrikbarende hoogte gestegen.

Het algemeen verval wordt nog meer gevoeld als men het oog richt naar de naburige Rijken, met name naar Duitsland. Aan het protectiestelsel, dat daar heerscht, hebben de boeren het te danken, dat de belastingen op gebouwde en ongebouwde eigendommen zijn afgeschaft, dat gemeentelijke inkomstenbelastingen en personele belastingen niet bekend zijn, dat er werk is in overvloed en een hooge loonstandaard bij niet al te dure levensmiddelen.

Wanneer onze boeren den kost konden verdienen, zich konden voeden en kleeden als die in het buitenland, hunne kinderen op tijd konden laten huwen, om het bedrijf voort te zetten, dan zouden ook de werklieden op het platteland hun bestaan en hunne rust vinden, dan zouden zij niet bij duizenden hun geluk gaan beproeven in het buitenland of het steeds aanwassend getal van oproerige socialisten gaan vermeerderen in de steden.

Armoede toch is eene der grootste oorzaken van den vooruitgang van het socialisme en daar de honger een scherp zwaard is, is het te vreezen, dat ook onze overigens geduldige en vreedzame boeren allengs niet meer kunnen bedwongen worden en overslaan tot daden van geweld. Om die rampen te voorkomen bidden wij, dat onze boerenstand geholpen worde niet door subsidies, pensioenen of aalmoezen, waarvoor zijn eerlijk hart zich schaamt, maar door eene passende protectie, welke hem in staat zal stellen, om met zijn harden arbeid zijn brood te verdienen, zijn landerijen, waarin de ware rijkdom des lands gelegen is, te onderhouden en te verbeteren, en de vaderlandsche deugden, waardoor de boerenstand uitmunt: van eenvoud, van eerlijkheid, zedelijkheid, godsdienszin, vaderlandsliefde en gehechtheid aan het Oranjehuis voort te planten in zijne nakomelingen.”

Deze letterlijke tekst is uit de: “GESCHIEDENIS van den NOORDBRABANTSCHEN CHRISTELIJKEN BOERENBOND” verzameld en bewerkt door Mr. J. J. Wintermans in het jaar onzes heeren MCMXLVI [1946].

 

 

Terug
© 2026 Brevieren door Brabant | website: DD