naar hoofdinhoud

overpeinzing 20

West-Brabant

“Persoonlijk herinner ik me de zouaven alleen uit processies." Geweldig was dat! Het gebeurde natuurlijk alleen bij heel grote processies, want ze waren stokoud, je kon ze niet bij elk wissewasje inzetten. Maar bij zeldzame gelegenheden, dan liep er een zoeaaf mee”.

Zevenbergen, Standdaarbuiten en Oudenbosch liggen op de grens van klei- en zandgrond. Voor de Elisabethsvloed was er vervening en zoutwinning. Later o.a. bijvoorbeeld vlas en suikerbieten zodat Zevenbergen wel ooit ‘Suikerstad’ werd genoemd. Na de vloed is Zevenbergen zelfs enige tijd een eiland geweest.

Standdaarbuiten [’t Sand daer buyten’ vanaf Oudenbosch bezien], kwam eerst als een zandplaat steeds meer boven water totdat het gewoon ingepolderd werd.

In het dorpje Zegge staat een kapel die voor het eerst in 1459 werd genoemd. Een schipper moet de kapel in 1421 opgericht hebben als dankkapel na de Elisabethsvloed. De mirakelkapel ontvangt nog steeds veel processies en bedevaartgangers.

Afhankelijk van de regio zijn in Brabant vanaf 1629 of 1648 veel rooms-katholieke kerken in gebruik genomen. In 1798 tijdens de Bataafse Republiek kregen de katholieken hun vaak vervallen kerken terug. Om de, dus onteigende geloofsgemeenschappen dan te compenseren, konden er zogenaamde Napoleonskerken [of Lodewijkskerken] gebouwd worden. In Standdaarbuiten werd deze zaalkerk in 1810 ingewijd. Maar vooral Oudenbosch heeft zich als katholiek centrum in de streek laten zien.

Vooral letterlijk, door de bouw in 1865 van de z.g. Sint-Pietersbasiliek door Pierre Cuypers. Deze kerk werd gebouwd als eerbetoon aan de zogenaamde Zouaven.

Dit waren strijders, die zich als vrijwilliger aanmelden om de Pauselijke staat te beschermen tegen de Italiaanse nationalisten. Veel Nederlandse katholieken vertrokken met de hulp van pastoor Willem Hellemons vanuit het Instituut Saint-Louis naar Rome en velen verloren daarbij ongewild hun Hollandse nationaliteit. De 3181 jongens die, gezond en goed katholiek door de keuring kwamen, vormden ongeveer het derde deel van de legermacht die door de paus ingezet werd om zijn grondgebied te behouden.

Voor veel katholieken een groot bewijs van devotie en van de opleving van het katholicisme na de Bataafse Republiek, waar de oude vrijheden hersteld werden.

In 1927 werden de Zouaven nog uitgebreid verheerlijkt door J.M. Reijnders in het boek ‘Pieter de Jong, de Held van Lutjebroek’. De voorloper van de bekende Tilburgse drukkerij Zwijsen, de Drukkerij R.K.Jongensweeshuis, hield op deze wijze de mythe van de Zouaven zo lang mogelijk in stand. Dit paste precies in het wereldbeeld van de katholieken tussen de twee wereldoorlogen waar men zich steeds trotser liet zien met eigen katholieke schrijvers, uitgevers, scholen etc.

Men deed mee in de maatschappij en elke verovering was een overwinning tegen het kwade:

een ‘goed’ boek, een ‘goed’ tijdschrift, een ‘goede’ processie, misschien zelfs elk kruisbeeld dat op een kruising opgericht kon worden?

Dit alles onder het motto van het jeugdtijdschrift ‘de Engelbewaarder’: “Elke plaats welke niet door het goede wordt ingenomen, is eene verovering van het kwade”.

De bekende schrijver en t.v.presentator Godfried Bomans schreef er in 1970 in zijn boek ‘Beminde  gelovigen’ toch wel iets anders over: “Persoonlijk herinner ik me de zouaven alleen uit processies.” Geweldig was dat! Het gebeurde natuurlijk alleen bij heel grote processies, want ze waren stokoud, je kon ze niet bij elk wissewasje inzetten. Maar bij zeldzame gelegenheden, dan liep er een zoeaaf mee. Voor hem in zo’n lange stoet ging niemand en achter hem was ook weer een ruimte. Hij liep solitair. Een wonderlijke verschijning strompelde dan aan het eerbiedig jongensoog voorbij: ze hadden lange grijze baarden, steunden op een stok en waren gekleed in ballonvormige, harem-achtige broeken en schuins weglopende jasjes met passementen bestikt. Opzij droegen ze een sabel, op het wankel hoofd een verrassend klein petje. Niet iedere parochie had zo’n man, maar je kon ze lenen van pastoors, die er wat ruimer inzaten en op een zoeaaf niet keken … Het is me ook altijd opgevallen dat de zoeaaf na afloop van de processie de dienst niet verder bijwoonde, maar meteen door het hoofdportaal de kerk verliet … Je zag hem dan met een aanzienlijk krachtiger tred dan zojuist het geval was over het grint lopen, recht naar een tapperij aan de overkant, alwaar hij op kosten van het kerkbestuur een kleine verkwikking tot zich nam. Men keek elkaar dan even vertederd aan en mompelde dan voldaan: ‘Kras baasje’. Ja, kras waren ze! De militaire keuring in Brussel was uiterst streng en alleen ‘roomse jongelingen’ die niets mankeerden werden naar Rome doorgestuurd. Daarom zijn ze zo oud geworden.

 

 

Terug
© 2026 Brevieren door Brabant | website: DD