overpeinzing 23
In 1710 gebruikt de vrijdenker Hendrik Wyermars o.a. dit om in zijn geschrift “Den ingebeelde Chaos” hard uit te halen tegen alle kerkelijke denkbeelden. Zelfs de Amsterdamse dominees konden deze aanklachten tegen onder andere deze smulpapen en vooral alle bijbelse waarden en verhalen niet over hun kant laten gaan. In een dubieuze rechtszaak werd hij tot 15 jaar eenzame opsluiting veroordeeld.
Het veruit grootste deel van de Brabantse Wal was tot in de 18e eeuw nagenoeg bos vrij.
Heidevelden, vennen en stuifzanden waren beeldbepalend. Na ongeveer 1750 werden de stuifduinen structureel aangeplant om verstuiving te voorkomen. Maar eerder werden er al bossen aangelegd, dit vooral voor de houtproductie. De heer van Bergen op Zoom, Jan van Glymes, gaf in 1504 opdracht om een productiebos aan te leggen van vooral eiken, elzen en kastanjebomen, dit werd de Wouwse Plantage. Het productiebos was ook om verstuiving te voorkomen en natuurlijk voor de jacht. Een tiental jaren later liet de Heer van Breda, de graaf van Nassau, twintig zakken met zaad van dennenbomen uit Neurenberg komen. Dennenbomen [masten in het dialect] waren bijna uitgestorven en hij liet het zaad in een heidegebied inzaaien; het Mastbos.
Ook het wat zuidelijker gelegen Wilhelmietenklooster te Huijbergen bezat veel grond op de Brabantse Wal. De monniken deden veel aan ontginningen en hadden veel invloed in de streek.De monniken behoorden tot de orde van de Willemijnen oftewel de Wilhelmieten. Deze strenge kloosterorde werd opgericht door Willem van Maleval, een kluizenaar die in een onherbergzame streek in Italië leefde. De orde had veel kloosters in Italië, Frankrijk, Duitsland en de Nederlanden.
Ook deze orde maakte in de loop der tijden vele veranderingen mee.
In 1278 vraagt de Heer van Breda aan de monniken van St. Wilhelmus uit Den Bosch om een klooster in Huijbergen te stichten. De Heer heeft veel woeste gronden en de monniken kunnen leiding geven aan de ontginning van die gronden. Huijbergen krijgt zo een typische vorm met boerderijen die de basis werd voor de ontginning. Toen Maarten van Rossum Den Bosch belegerde, moest het klooster in Den Bosch gesloopt worden om hem geen mogelijkheid te geven om zich te verschansen.
De vraag of in hoeverre de kloosterlingen verder leefden als heremiet [kluizenaar] zal voor iedereen een andere invulling geven, maar het zal zeker niet voor alle kloosterlingen altijd gegolden hebben.
Omstreeks 1700 bezit het klooster meer schulden dan goederen. Een schuld van 12.500 gulden zorgt voor veel problemen met de leiding van de Wilhelmieten. In 1710 gebruikt de vrijdenker Hendrik Wyermars o.a. dit om in zijn geschrift “Den ingebeelde Chaos” hard uit te halen tegen alle kerkelijke denkbeelden. Zelfs de Amsterdamse dominees konden deze aanklachten tegen onder andere deze smulpapen en vooral alle bijbelse waarden en verhalen niet over hun kant laten gaan.
In een dubieuze rechtszaak werd hij tot 15 jaar eenzame opsluiting veroordeeld.
Ook de Habsburgse keizer Josef II wilde [om andere redenen?] de pauselijke macht in zijn keizerrijk breken. Hij deed dat onder andere door kloosters te verbieden en in 1784 de Verordening over het Huwelijk in te stellen. Hierdoor moest/kon men, in de loop van de tijd, zowel voor de wet trouwen als scheiden, iets wat in de katholieke leer eerder niet kon en mocht. De Zuidelijke Nederlanden boden tegen deze ontwikkelingen zeer veel tegenstand, zodat in
Huijbergen het enige klooster van de Wilhelmieten overbleef. De laatst levende monnik droeg het klooster over aan het bisdom van Breda dat de Broeders van Huijbergen [Franciscanen] er een weeshuis liet stichten. Dit werd het beroemde instituut Ste. Marie.